- rain
- n. regen, bui--------v. regenenrain1[ reen]I 〈telbaar en niet-telbaar zelfstandig naamwoord〉1 regen ⇒ regenbui, regenval2 (stort)vloed ⇒ stroom♦voorbeelden:1 it looks like rain • het ziet er naar uit dat het gaat regenen2 a rain of arrows • een regen van pijlena rain of blows • een reeks klappena rain of congratulations • een stroom gelukwensen¶ (come) rain or shine • weer of geen weer, onder alle omstandigheden→ rightright/II 〈meervoud; the〉1 regentijd ⇒ regenseizoen————————rain2I 〈onovergankelijk werkwoord〉1 〈onpersoonlijk werkwoord〉regenen2 neerstromen♦voorbeelden:2 tears rain down his cheeks • tranen stromen langs zijn wangen neerhospitality rained upon the visitors • de bezoekers werden overladen met gastvrijheid¶ it never rains but it pours • een ongeluk komt zelden alleen→ rain downrain down/II 〈overgankelijk werkwoord〉1 regenen 〈ook figuurlijk〉2 doen neerdalen ⇒ laten neerkomen♦voorbeelden:1 it rains invitations • het regent uitnodigingen〈informeel〉 the match was rained off/ 〈Amerikaans-Engels〉 out • de wedstrijd werd afgelast/onderbroken vanwege de regen2 the father rained presents upon his only daughter • de vader overstelpte zijn enige dochter met cadeaus→ rain downrain down/
English-Dutch dictionary. 2013.